Katten zijn gevoelig voor het Leucose-virus en kunnen hieraan overlijden. Na besmetting kan er met de geïnfecteerde kat twee dingen gebeuren:
- De kat wordt kortstondig ziek en heeft wat koorts. Het geheel lijkt op een ‘griepje’ en de kat overwint na 1-2 weken het virus en wordt weer de oude.
- De kat kan het virus niet overwinnen en het virus blijft in het lichaam aanwezig. Deze dieren blijven dan een besmettingsbron voor andere katten, omdat ze continu het virus verspreiden. Deze geïnfecteerde katten zullen na een aantal maanden ziek worden en sterven in het algemeen binnen 3 jaar.
Bij deze groep virusdragers kunnen zich allerlei ziektes ontwikkelen zoals:
- Verschillende vormen van bloedkanker.
- Enorme bloedarmoede.
- Enorme weerstandsvermindering.
Andere virussen en bacteriën krijgen de kans om ziektes te veroorzaken. Deze katten hebben steeds ontstekingen in de mond, zijn steeds verkouden en hebben vaak diarree.
Het virus is in het bloed van de kat met een eenvoudige test aan te tonen. De test is in de beginfase zowel bij groep 1 als bij groep 2 positief (= virus in bloed aan te tonen). Alleen zal de test na verloop van tijd bij groep 1 negatief worden (deze verslaan het virus), terwijl bij groep 2 de test positief blijft.
De katten waarbij de bloedtesten 2x positief zijn met een tussentijd van 16 weken worden als levenslange dragers beschouwd.
Deze katten zullen in het algemeen niet oud worden en blijven een gevaar voor andere katten, omdat ze steeds het virus blijven verspreiden. In ieder geval moeten deze katten geïsoleerd gehouden worden. De katten die levenslang dragers worden, zijn vooral jonge kittens en verzwakte dieren. Het is in het algemeen van groot belang om bij jonge katten, die steeds maar ziek zijn, eraan te denken, dat ze dragers zouden kunnen zijn van het Leucose virus. Het is dan aan te raden om een Leucose bloedtest te doen.
|