| Urine- en ontlastingonderzoek |
Het is belangrijk urine te onderzoeken, omdat vele ziekten afwijkingen in de urine kunnen veroorzaken. Suikerziekte geeft bijvoorbeeld suiker in de urine. Bij nierziekten wordt vaak een teveel aan eiwitten gevonden.
De volgende onderzoeken worden dikwijls uitgevoerd:
 |
Stripje en zuurtegraad
Met behulp van een stripje kan snel bepaald worden of er suiker, veel eiwit of
leverafvalstoffen in de urine zitten.
Ook de zuurtegraad wordt bepaald,
die op hetzelfde stripje af te lezen is. Urine van honden en katten hoort zuur te zijn, met een zuurtegraad tussen 6 en 7. Bij ontstekingen heeft de urine vaak een lage zuurtegraad.
Ook kunnen bij een afwijkende zuurtegraad blaasstenen en/of gruis gevormd worden. |
 |
Concentratie
De concentratie wordt met een speciale meter bepaald. Bij nierziekten is de urine dikwijls niet goed geconcentreerd en te waterig. |
 |
Bezinksel
De urine wordt afgedraaid in een centrifuge, waarna het bezinksel op de bodem
microscopisch wordt onderzocht.
Er wordt gelet op kristallen, bacteriën, cellen en
eiwitstructuren. Als er bacteriën gezien worden wijst dit op ontsteking.
Bij nierziekten kunnen dikwijls cellen
en eiwitcylinders gevonden worden. Kristallen in de urine kan
blaasirritatie geven. |
Bacteriekweek
Bij sommige patiënten is het nodig om een bacteriekweek van de urine te doen. De urine
wordt met behulp van een injectienaald met spuit door de buikhuid heen opgezogen. Dit gebeurt bij patiënten, waarbij na een antibioticumkuur een ontsteking niet geneest en/of weer snel terugkeert.
Eiwitverlies
In bepaalde gevallen is het nodig om exact het eiwitverlies van de urine te meten. Dit
wordt in een laboratorium gedaan. Bij nierziekten laten de nieren veel eiwitten door en die komen in de urine. Bij gezonde dieren gebeurt dit nauwelijks. Door eiwitverlies in de urine vermagert de patiënt. Door exact de hoeveelheid eiwitverlies te meten weten we hoe ernstig het nierlijden is.
Hormoonbepaling
Bij verdenking van hormoonziektes is het in bepaalde gevallen noodzakelijk de hormonen
in de urine te bepalen. Een veelvuldig voorbeeld van een hormoonziekte is een ziekte van de bijnier. Via een hormoonbepaling in de urine is zeer eenvoudig aan te tonen of de patiënt aan deze ziekte lijdt.
Gifstoffen
Vergiftigingen kunnen soms in de urine worden aangetoond. Bij verdenking van bepaalde gifstoffen kan in overleg met het laboratorium een urine-onderzoek aangevraagd worden. Het gaat om stoffen die via de nieren worden uitgescheiden.
Parasieten
Ontlastingonderzoek wordt standaard uitgevoerd bij reptielen en vogels. Bij de hond en kat
niet zo vaak. Bij reptielen en vogels komen regelmatig verschillende soorten parasieten voor. Het is dan van belang het juiste middel te geven. Het aantonen van parasieten en eieren van parasieten is eenvoudig. De ontlasting wordt
opgelost in een zoutoplossing en na 10 minuten drijven de eieren naar boven en kunnen
microscopisch bekeken worden.
Bij honden en katten vindt men zeer vaak wormen. Door een goede wormkuur te geven worden de wormen snel gedood. Het advies is standaard 4x per jaar de huisdieren een wormkuur te geven.
Parvovirus en giardia
Bij verdachte patiënten kan nu snel worden aangetoond of ze besmet zijn met het
parvovirus. Ook het aantonen van een giardia parasietinfectie is eenvoudig.
We gebruiken de Snap-test, die het DNA van de ziektekiemen kan aantonen.
Binnen 10 minuten is de uitslag bekend. Het parvovirus zien we regelmatig bij puppies. De giardiaparasiet komt bij de hond en kat voor.
Laboratorium- en verteringsonderzoek
Soms moet ontlasting worden opgestuurd naar een laboratorium. Er wordt gekeken
hoeveel eiwitverlies er is en of er ook bloed in de ontlasting zit. Dit is soms niet met het blote
oog te zien.
Een verteringsonderzoek kan ook aangevraagd worden. Eiwitverlies via de ontlasting komt door darmziekten. Hierbij treedt net als bij eiwitverlies in de urine vermagering op, wat voorkomt bij verschillende ziekten. Om te kijken of er voldoende verteringsenzymen in de darm worden uitgescheiden kan een verteringsonderzoek gedaan worden. Patiënten die te weinig enzymen produceren blijven hongerig omdat er te weinig voedingsstoffen in het bloed worden opgenomen. |